Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

De participatiesamenleving

Wat bedoelen we daar nou eigenlijk mee?

Datum: 26/10/15

Door: Sasker de Roos 


 

Als het gaat om de precieze invulling van het begrip participatie dan houdt iedereen hier een mening op na. Beleidsmakers zien de participatiesamenleving soms als een voldongen feit, maar soms tegelijkertijd ook als een ambitie. Want als burgers meer participeren in de samenleving, kan de overheid bepaalde dingen laten liggen. Wat uiteraard flinke bezuinigingen kan opleveren.

Anderen zien de participatiesamenleving als een ontwikkeling waar de overheid ruimte aan moet bieden. Zo heeft premier Rutte aangegeven dat het kabinet burgers niet wil oproepen om te participeren, maar dat dit een ontwikkeling is die al gaande is; mensen nemen namelijk steeds meer het heft in eigen hand.

 

Maar wat is nu werkelijk de juiste voorstelling van zaken?

 

In Nederland worden we namelijk twee bewegingen gewaar.

  • In eerste instantie een beweging van onderop: (sommige) burgers zijn regelmatig betrokken bij kleinschalige initiatieven die zich voornamelijk richten op de directe leefomgeving (hiervoor reserveren wij het begrip netwerksamenleving, zie ook de bespreking hier).
  • Tevens ontspringt een tweede beweging van bovenaf: de overheid stimuleert burgers om meer deel te nemen aan het economisch leven, vraagt burgers hun eigen verantwoordelijkheid te nemen in het sociaal-maatschappelijk leven en betrekt hen bij de formulering en uitvoering van beleid (de participatiesamenleving).

 

Participatie is niets nieuws

Als we naar het verleden kijken dan blijkt dat participatie niets nieuws is. Onze staat, zoals vele andere Europese staten, is het product van een eeuwenlange ontwikkeling waarin het takenpakket van de overheid langzaam is uitgebreid en op andere momenten weer werd uitgekleed.

Nieuwe taken die de overheid op zich nam zijn vaak begonnen vanuit kerkelijke instellingen of als private initiatieven van (welvarende) burgers, die sociaal-maatschappelijke problemen wilden aanpakken. Zoals bijvoorbeeld de armenzorg en sociale zekerheid. Na verloop van tijd vond men dat de overheid dit om verschillende redenen moest gaan overnemen. Hier ging een behoorlijke discussie aan vooraf over wat des staats is (publieke voorzieningen) en wat des burgers is (eigen verantwoordelijkheid en vrijheid).

Op andere momenten, zoals tijdens de privatiseringen van de afgelopen decennia, bewoog de slinger echter de andere kant op: de staat stootte regelmatig bepaalde taken af om die over te laten aan marktpartijen en het maatschappelijk middenveld (de civil society). Maar ook deze maatschappelijke organisaties werden op hun beurt verzelfstandigd en gecommercialiseerd.

 

Van actief burgerschap naar verzorgingsstaat

Gedurende de Nederlandse staatsvorming en –ontwikkeling heeft actief burgerschap continu een belangrijke rol gespeeld. Nederlanders hebben zich gedurende de afgelopen eeuwen altijd ingezet voor de eigen omgeving. Al tijdens de middeleeuwen kenden de Nederlandse steden zelfbestuur, die werd vormgegeven door vele actieve buurtverenigingen en professionele organisaties zoals de gilden en werden zaken op het platteland geregeld via de marken (voor een deel als voorlopers van onze waterschappen te beschouwen).

 

 

De verzorgingsstaat begint pas halverwege de negentiende eeuw, wanneer de grondwet van Thorbecke wordt ingevoerd, die onder andere de relatie van zorgen en plichten tussen burgers en staat heeft uitgewerkt. Sinds die tijd gaat de staat langzaamaan steeds meer  zorgtaken van particuliere initiatieven overnemen. Geleidelijk gaan de nationale overheid en de gemeenten beleid voeren op het gebied van armenzorg, onderwijs, sociale zekerheid, huisvesting en ruimtelijke ordening. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat we in de jaren vijftig van de vorige eeuw een enorme verzorgingsstaat kenden die zich bemoeide met bijna alle facetten van het leven.

 

Een beweging terug

Gedurende de laatste decennia zien we dan ook vooral een tegengestelde beweging waarin het takenpakket van de overheid langzaam wordt uitgekleed. Dit begon als reactie van de protestgeneratie op het door hen ervaren paternalisme van de Nederlandse verzorgingsstaat (en de zuilen). In de jaren zestig en zeventig eisten burgers dat zij meer konden participeren in beleidsvorming en meer de ruimte kregen voor het ontwikkelen van een eigen identiteit.

In navolging hierop zorgden noodzakelijke bezuinigen en privatisering voor een sterke krimp van de verzorgingsstaat. Met de groei van de verzorgingsstaat had de omvang van ambtelijke organisaties een navenante vlucht genomen. Het streven was er dan ook opgericht om het overheidsapparaat in te krimpen. De woningcorporaties werden geacht te gaan functioneren als marktpartijen, nuts- en vervoersbedrijven werden afgestoten en gemeenten kregen de verantwoordelijkheid over het sociaal beleid. Met als gevolg dat burgers steeds meer als consument in relatie tot de overheid zijn komen te staan. Over de plichten van burgers werd niet zoveel meer gesproken.

 

Ontevreden consumenten

 De ontevredenheid over deze consumentenrol heeft ertoe geleid dat burgers nu, in de 21e eeuw, zelf steeds meer verantwoordelijkheid gaan nemen in het maatschappelijk leven. Ze zijn ontevreden over de diensten van de overheid en de wijze waarop die worden geleverd. Onder invloed van de nieuwe communicatie technologieën ontdekken ze, geheel in de geest van de jaren zestig, steeds vaker dat ze prima in staat zijn zelf zorg te dragen voor de noodzakelijke ‘zorgproducten’, de openbare ruimte, woonruimte, etc.. Hierover meer in ons blog over de netwerksamenleving.

 

 

 

Op zoek naar een innovatieve relatie gemeente/ inwoner

Onder druk van de onderhavige decentralisaties en bezuinigingen pogen vele gemeenten in te spelen op deze herontdekking van actief burgerschap. De Nederlandse gemeenten merken dat zij hun rolopvatting moeten heroverwegen, zodat zij gebruik kunnen maken van de (potentiële) kracht in de samenleving. Maar wat dit precies zal inhouden is nog allerminst duidelijk.

 

 

 

Een korte analyse laat al snel zien dat we ons nog echt in een ontdekkingsfase bevinden. Veel is nog onduidelijk in wat deze ontwikkelingen zullen betekenen voor het functioneren van gemeenten.

  • Wat betekent een beweging, van bovenaf, naar de participatiesamenleving bijvoorbeeld voor de relatie tussen de verschillende gremia binnen het gemeentehuis, en met name de rol van de raad?
  • Hoe kunnen gemeenten productief gebruik maken van zelforganisatie, zonder de boel dood te gaan regelen? Hoe gaan we daarin om met democratische legitimiteit?
  • En zijn (alle) burgers er inderdaad wel klaar voor, of hebben zij al te veel op hun bord?

Participatie kent vele vormen en dimensies die alle een andere vorm geven aan democratie, aan de rol en het functioneren van gemeenten en aan wat er van burgers wordt verwacht.

  • Willen we bijvoorbeeld de rol van burgers beperken tot het beïnvloeden van politieke besluitvormingsprocessen en/of  interactieve beleidsontwikkeling?
  • Of willen we burgers ook betrekken bij de beleidsuitvoering?
  • Of is het de bedoelingen dat de overheid zich terugtrekt en de gemeenten hun rol beperken tot overheidsparticipatie, daar waar burgers iets ondernemen en dat toelaten?
  • Kunnen gemeenten zich beperken tot een sturende rol op het terrein van openbare orde en veiligheid, te vergelijken met de nachtwakersstaat van enkele eeuwen geleden?

In de volgende blogs gaan we nader in op deze en andere vragen, te beginnen met de netwerksamenleving en de herontdekking van actief burgerschap.

 

 

Wil je op de hoogte worden gehouden van nieuwe blogs? Volg ons op LinkedIn

Cookie-beleid

Deze site maakt gebruik van cookies om informatie op uw computer op te slaan.

Gaat u akkoord?