Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

De netwerksamenleving en het sociale domein

Drie perspectieven op de transformatie

Datum: 26/10/2015

Door: Sasker de Roos


 

Na de decentralisaties en de bijbehorende transitie is het tijd om te gaan transformeren. Gemeenten hebben de sociale taken van de staat op hun bord gekregen en het is aan hen om met minder middelen een gelijkwaardige prestatie te leveren. Hierbij kunnen gemeenten in de participatiesamenleving bijgestaan worden door burgers om de (financiële) tekorten op te vullen. De hoop is dat de burgerinitiatieven in de zich ontwikkelende netwerksamenleving taken oppakken die gemeenten loslaten. Gemeenten die nu al experimenteren met loslaten ontdekken echter dat burgers deze taken niet altijd kunnen of willen overnemen. Regelmatig blijkt de netwerksamenleving niet te voldoen aan de verwachtingen van gemeenten en zich niet zomaar te lenen voor het optuigen van een participatiesamenleving. Wat kunnen we nu werkelijk verwachten van de netwerksamenleving?

 

 

 

Sociale media, een nieuwe wereld orde en netwerkende samenlevingen

Een korte rondgang leert al snel dat er heel verschillende beelden bestaan over de netwerksamenleving.

  • Volgens sommigen is de netwerksamenleving al een feit. De uitvinding van het internet heeft burgers de macht gegeven om het heft in eigen handen te nemen. Dankzij de sociale media beschikken zij nu over de middelen die nodig zijn om alle relevante informatie boven tafel te halen, medestanders te ontmoeten en hun collectieve handelen te coördineren. Positief bekeken zou dit betekenen dat burgers de staat nergens meer voor nodig hebben. Gemeenten hoeven hun inwoners slechts de ruimte te bieden en burgers zullen dan oppakken wat de staat loslaat. Negatief bekeken betekent dit echter dat de staat onmachtig is geworden. De netwerksamenleving is namelijk zeer complex en onttrekt zich gemakkelijk aan de inspanningen van de staat om daar richting aan te geven.
  • Anderen zien echter in de netwerksamenleving een gestage ontwikkeling die gedreven wordt door processen zoals globalisering en veranderingen in de economie. Zij die Castells hebben gelezen zien een langzame verschuiving van hiërarchische systemen naar decentrale netwerken. Zij zien organisaties die dankzij het internet makkelijker op globale schaal kunnen opereren  en die decentraliseren (oftewel ‘vernetwerken’) om beter om te kunnen gaan met de eigenaardigheden van lokale markten. De burgers die men vanuit dit perspectief waarneemt maken dan ook dankbaar gebruik van de technologieën die deze wereldspelers ontwikkelen om informatie snel en efficiënt te kunnen verspreiden, richting te geven aan decentrale netwerken en snel in te kunnen springen op veranderingen.  Beleidsmakers die door de bril van Castells kijken maken zich vervolgens vooral zorgen om de inwoners die deze ontwikkelingen niet kunnen bijbenen. Zij zien burgers die onzeker worden van de openheid en flexibiliteit van de nieuwe netwerken en die buiten de boot dreigen te vallen.
  • In de wetenschap ziet men netwerken tenslotte steeds vaker als een fundamentele eigenschap van samenlevingen. Zo gebruikt Actor-Network Theory de netwerkmetafoor niet alleen om de huidige samenleving te duiden, maar ook om de samenlevingen van het verleden beter te kunnen begrijpen. Volgens dit perspectief zijn samenlevingen altijd al netwerken geweest, maar bevinden we ons nu op een punt waarop het samenlevingsnetwerk zich ontwikkelt richting openheid, decentraliteit en flexibiliteit. Vanuit deze bril zien beleidsmakers vooral kansen om de eigen kracht van burgers te versterken door de introductie van nieuwe elementen in hun netwerken of daarin andere verbindingen te leggen. Zij zien echter in dat dit niet eenvoudig is. Het kost veel tijd en energie om de netwerken van kwetsbare individuen te activeren of bijvoorbeeld nieuwe verbindingen te creëren tussen inwoners, maatschappelijke instellingen en de verschillende overheden.

 


 

 

Drie strategieën voor de transformatie

Elk van deze drie perspectieven kijkt op een andere manier naar de huidige uitdagingen:

  • Volgens de eerste betekent transformeren vooral loslaten, oftewel ruimte bieden aan de netwerken van burgers. Die netwerken zullen namelijk veel beter in staat zijn om publieke waarde te creëren en te verdelen. Het heeft geen zin om je daar tegen te verzetten, want dankzij de sociale media hebben burgers hun eigen kracht ontdekt en beschikken zij over de middelen om de interventies van de staat te omzeilen. Maar als er problemen ontstaan dan rest de overheid ook maar weinig macht om de netwerksamenleving een andere richting op te sturen. Dit draagt natuurlijk het risico in zich op een fatalistische instelling.
  • Binnen het tweede perspectief betekent transformeren vooral dat gemeenten moeten meegaan in de ontwikkelingen maar daarbij behoedzaamheid moeten betrachten. Het is de uitdaging om ervoor te zorgen dat iedereen mee kan komen in de onstuitbare macro-ontwikkelingen. Gemeenten zullen een vangnet moeten bieden voor hen die buiten de boot dreigen te vallen en burgers moeten leren hoe zij zich binnen netwerken kunnen bewegen zodat zij die voor hun eigen welzijn kunnen inschakelen. Hier is het vooral de vraag wanneer en wat kan (of moet) worden losgelaten en hoe dit proces het beste vorm kan worden gegeven.
  • Vanuit het derde perspectief betekent transformeren voor gemeenten vooral een onderzoekende houding aannemen en gaan bouwen aan nieuwe netwerken. Door te experimenten met nieuwe technologieën en organisatievormen zullen zij dan leren welke verbindingen ervoor zorgen dat inwoners hun eigen (netwerk-)kracht kunnen aanboren en welke niet. Welke hulpmiddelen in de netwerken van burgers geïntroduceerd kunnen worden om te zorgen dat deze beter gaan functioneren. En welke netwerken inwoners en instellingen moeten gaan vormen om verantwoordelijkheid te kunnen (en willen) dragen voor sociale beleidsdoelen. Hier kan echter ook de vraag worden gesteld naar hoeveel tijd, energie en dus geld het kost om zo een participatiesamenleving op te tuigen en of dit wel de noodzakelijke bezuinigingen kan opleveren.

 

Weloverwogen transformeren

Het is nog te vroeg om te zeggen dat één van deze perspectieven het bij het juiste eind heeft. Empirisch sociologisch onderzoek van bijvoorbeeld Evelien Tonkens en Menno Hurenkamp laat zien dat burgers sterk verschillen in de mate waarin zij bereid of bij machte zijn om verantwoordelijkheden van de staat op zich te nemen. De constatering dat vele burgers nog steeds een taak zien weggelegd voor de overheid laat zien dat het eerste perspectief op zijn minst wat nuancering behoeft. Vooralsnog hebben de sociale media nog lang niet alle individuen geëmancipeerd.

De waarheid zal dus ergens tussen het tweede en derde perspectief in liggen. De ontwikkelingen in de samenleving bieden wel degelijk kansen om het beleid in het sociale domein anders te organiseren. Uit hetzelfde sociologisch onderzoek blijkt namelijk wel degelijk dat steeds meer mensen zich willen inzetten voor hun omgeving en medeburgers. Er zal echter nog wel veel moeten gebeuren willen inwoners in staat zijn om daar werkelijk mee aan de slag te gaan. De meesten beschikken nou eenmaal niet over zowel de tijd, kunde als informatie om alles te kunnen doen wat een verantwoordelijkheidsverschuiving van ze vraagt.

 

Een flexibele en open ambtenarij: onderzoekende kennisnetwerken

De transformatie zal dus moeten uitwijzen welke kansen de netwerksamenleving biedt en wat er nodig zal zijn om die kansen te grijpen. Maar ook wat er nodig zal zijn om te voorkomen dat mensen buiten de boot vallen. Dankzij de decentralisaties in het sociale domein staan gemeenten nu in de ideale positie om daar achter te komen. Ze hebben de ruimte gekregen om te improviseren met nieuwe vormen in het organiseren van zorg en te ontdekken wat dat oplevert. Om de transformatie zo tot een succes te maken zullen gemeenten dan nog wel moeten leren om te leren. Het zullen (nog meer) lerende organisaties moeten worden.

 

 

Improviseren zal alleen antwoord op de vragen bieden als dat gebeurt binnen een experimenteel kader waarbinnen de effecten van nieuwe methoden en organisatievormen betekenis krijgen (zie bijvoorbeeld ook De improvisatie maatschappij van Hans Boutellier). Een experimentele houding zorgt ervoor dat interventies vanuit de gemeente en de reacties daarop worden gezien als leermomenten waarin de handeling in relatie wordt gebracht met wat er aan vooraf ging en er daarna gebeurde. Men spreekt bij experimenten namelijk van te voren verwachtingen uit (hypotheses) en analyseert achteraf wat er van de verwachtingen terecht is gekomen (toetsing), welke oorzaken daarvoor zorgden en welke effect men niet had voorzien. Deze analyse zal niet alleen uitsluitsel brengen ever de effecten en grenzen van nieuwe organisatievormen, maar ook inspiratie bieden voor verdere ontwikkeling.

Wil je op de hoogte worden gehouden van nieuwe blogs? Volg ons op LinkedIn

Cookie-beleid

Deze site maakt gebruik van cookies om informatie op uw computer op te slaan.

Gaat u akkoord?